van
Maria Petronella
 Warnaar

Heden
Gilbert Seigneur
 
de GRUUTERE
 
1290

 Over de familie de Gruyter is echt heel veel te vinden. 
Zo zijn wij via deze familie verwant met een echte Markies die zeer vermogend was en geen nakomelingen had.
Zodat wij erfgenamen hadden kunnen zijn. 
Lees hier de geschiedenis daarvan in het kort er is nog veel meer over te vinden maar ik beperk me tot dit.

 

De nalatenschap van de markies de BETTE

De familie Borstlap is verwant met de familie De Gruyter die betrokken is bij de nalatenschap van Emanuel Ferdinand Francois de Bette, de laatste markies van Lede, die kinderloos stierf op 6 juli 1792. Want mijn oma Pieternella Borstlap is de achterkleindochter van Commerina de Gruyter . De vader van Commerina, Leendert de Gruyter geboren 10 juli 1771 en van beroep meesterwagenmaker te Brielle, was ten tijde van het overlijden van de markies 'erfgenaam'.
De markies Emanuel Ferdinand Francois de Bette was zeer vermogend. Zo ook zijn voorouders. Zijn over-overgrootvader was Jacob de Bette, een ridder, die heer was van Angrelles, Atreppe, Hollebeke, Schellebelle, Wanezeele, Muysbrouck, Warwane, Peronne, Fontaine, Croix, Gosette, Chreau, Eessegem, enz. Deze Jacob de Bette is in 1549 getrouwd met Elisabeth de Gruyter, dochter van Jan de Gruyter, ridder en heer van Lede. De grootvader van Jan de Gruyter was Boudewijn de Gruyter. Deze Boudewijn kreeg twee kinderen: Philippus de Gruyter en Paulina de Gruyter die huwde met Jan van Hembyse. Philippus was de vader van Jan.
Toen de markies kinderloos stierf kwam volgens de wet 1/3 van zijn bezit toe aan zijn moeder en 2/3 aan zijn neven en nichten. Het wonderlijke van de afhandeling van de nalatenschap is geweest dat alleen de neven en nichten die afstammen van Paulina gedeeld hebben in het vermogen. De afstammelingen van Philippus schijnen niet geïnformeerd te zijn geweest. Achteraf zijn er vele pogingen geweest om deze foutieve afhandeling van de nalatenschap recht te zetten.
In 1934 is vanuit de familie De Gruyter een Comité van Actie opgericht tot onderzoek naar de aanspraken op de nalatenschap. De conclusie van dit Comité was in 1935 dat de vordering reeds lang verjaard is. In het slotdocument van dit Comité wordt ook melding gemaakt van eerdere pogingen in 1799 en 1886.
In 1799 hebben enige personen die aanspraak maakten op de nalatenschap een proces aanhangig gemaakt voor de Rechtbank van het Departement van de Schelde (een zgn. action en purge civile de la succession). Op 8 juli 1799 is er recht gesproken in deze zaak waarbij werd beslist wie de wettige erfgenamen in welke tak waren en wie van hen als naaste erfgenaam overeenkomstig de wetten en gewoonten, die van kracht waren ten tijde van het overlijden van de erflater, de uitsluitend rechthebbende was. De niet verschenen erfgenamen werden van elk recht uitgesloten. Ook werd besloten dat de Republiek geen vorderingsrecht had ten aanzien van deze nalatenschap.
Op 29 juli 1978 stond er een artikel in De Telegraaf over de geschiedenis van deze erfenis en over alweer pogingen om alsnog recht te halen. Aan het woord is vooral mevr. Clazien van den Boomen-Rombouts uit Eindhoven. Volgens een wijziging in de Belgische wet zou de erfenis nu opeens op 31 december 1978 verjaren. In het artikel worden nog andere pogingen genoemd, namelijk in de periode 1809 tot 1819 en rond 1845. Deze pogingen zijn gestrand door het ontbreken van een volledige stamboom. Vandaar dat hierna door een aantal personen hard gewerkt is aan het volledig krijgen van de stamboom. Rond 1960 zijn er grote familievergaderingen belegd in Gent en Den Bosch. In Den Bosch waren zo'n 850 De Gruyter's aanwezig uit Nederland, België, Frankrijk en West-Duitsland. Albert de Gruyter uit Poperinge was in deze tijd zeer actief namens de familie.
De acties in de periode 1960 tot 1978 hebben echter niets opgeleverd.
Momenteel is de hele kwestie zeker verjaard.
Meer informatie is te vinden in de dossiers van het Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag.
Overigens is de kruideniersfamilie De Gruyter geen directe familie van de hiervoor genoemde familie De Gruyter. Hoewel, misschien is er wel iets gemeenschappelijks in een ver verleden.

 

De heerlijkheid Lede:

Volgens een kroniek van de abdij van Drongen uit 1130 behoorde de heerlijkheid Lede aan een familie met de naam Lede.  Achter een volgens is er spraak van Hendricus  van Lede (1164), Walterus van Lede (1175), Johannes de Lede (1207), Arnoldus van Lede (1216), Jan van Lede (1242), Willem van Lede (1301), Sander van Lede (1339), Adam van Lede (1363), Jan van Lede overleden in 1556 liet een enige dochter na, Isabella die in 1549 gehuwd was met Jacob Bette, heer van Schellebelle, waardoor Lede tot de Bette’s overging.  Zo komt de heerlijkheid Lede onder meerdere afstammelingen van de Bette’s.  Onder Willem Bette kreeg de heerlijkheid Lede de titel van markizaat.  Meerdere afstammelingen werden bekende hoge militairen in dienst van de koning van Spanje en brachten het tot luitenant-generaal in Spanje.  Jan – Frans – Nicolaas was een van de beroemdste veldheren van zijn tijd.  Aan het hoofd van het Spaans leger versloeg hij de muzelmannen in Mallorca en werd er als onderkoning aangesteld.  Hij overleed te Madrid op 1725-02-11.  In deze stad staat nog een standbeeld van hem.  Zijn enige zoon Emmanuel-Ferdinant-Frans Bette, markies van Lede en meerdere andere plaatsen volgde zijn vader op.  Hij stierf op zijn Kasteel van Lede op 1792-07-06, zonder afstammelingen.  Na zijn dood werd de heerlijkheid Lede en het kasteel een jarenlange betwisting tussen verre familieleden.  Het kasteel met zijn lusttuinen zal meerdere keren verkocht worden en zeer verschillende functies vervullen: fabriek, kostschool, hospitaal en opvangshuis voor oorlogsslachtoffers.  De laatste 20 jaar was het onbewoond en totaal vervallen.  Midden in Lede  was dit met zijn 7 ha oppervlakte van grote waarde.  Maar gans het domein, gebouwen en bomen zijn reeds jaren lang geklasseerd.  Na vele jaren discussie heeft de gemeente Lede het kasteel gekocht en hopen ze het nuttig te kunnen gebruiken.

 De familie “Bette”

Door het huwelijk van Jaak Bette als bezitter van het leen “Sereschap” met Isabella enige dochter van de heer van Lede in 1549 kwam de heerlijkheid Lede in het bezit van de familie Bette.

De grote waardigheid van de familie Bette te Gent blijkt uit het feit dat Keizer Karel V bij het aanvaarden van het graafschap Vlaanderen de eed aflegde in de handen van ridder Bette.

De Bette’s waren eeuwen één van de voornaamste geslachten uit Gent, verwant met Gwijde van Dampierre.  Een spreekwoord uit Gent luidde “Om iemand te zijn in Gent, moet men Triste (triest), Vilain (Vilain) of Bête (Bette)”.  (Triest, Vilain of Bette heten)

De familie Bette zal tot 1792 de heerlijkheid Lede in bezit houden en meer dan twee eeuwen lang de Spaanse koningen op uitzonderlijke wijze dienen als hoge militairen.  Ze behoorden in die jaren tot de hoogste Spaanse Adel. (Grote van Spanje 1ste klas)

Jaak Bette overleed in 1591, Jean Bette, Schepen van Gent tot baron van Lede benoemd (+1620); Adriaan Bette in 1596 benoemd tot gouverneur der Nederlanden en kamerheer van de aartshertog Kardinaal (+1616) Jakob Bette volgde zijn vader op maar overleed eveneens in 1616.  Willem Bette, zoon van Jean Bette, kwam in het bezit van de baronie Lede en vele andere heerlijkheden.  Hij was een groot veldheer.  In 1632 kreeg hij het bevel over de stad Maastricht die hij verdedigde tegen de protestanten.  Hij werd beroemd tot kolonel en kreeg de titel van markies en zo werd hem het ridderschap van het Gulden Vlies verleend.  In 1655 trok hij naar Londen om aan Cromwell de gelukwensen van Filip IV van Spanje aan te bieden.  Hij overleed in 1658 bij de veldslag te Duinkerke.  Gedurende zijn leven was hij enig verbonden met de volkse devotie tot O.L. Vrouw van Lede en schonk hij belangrijke bedragen aan de parochiekerk.

Augusinus Ambrosius Francois Bette volgde zijn vader op als Markies van Lede en heer van meerdere gebieden.  Hij was kolonel van een infanterieregiment van Zijne Majesteit en kamerling van de landvoogd don Juar van Oostenrijk.  Hij overleed in 1677 op de grens van Holland.

 Jan Francois Nicolaas Bette volgde zijn vader op.  Hij werd benoemd tot generaal en ridder van het Gulden Vlies.  Hij behoorde tot de “Grote van Spanje van eerste klas” (hoogste Spaanse Adel), Leidde een veldtocht op het eiland Mallorca verjoeg er de Muzelmannen en werd onderkoning van het veroverde eiland.  Hij overleed in 1725 te Madrid waar nu nog zijn standbeeld staat.

 Emmanuel Ferdinand Francois Bette volgde zijn vader op Markies van Lede en “Grote van Spanje 1ste klas”.  In 1739-1740 heerste er een hongersnood met 65 dagen vorst.  In 1792 stierf hij op zijn kasteel te Lede.  Hij had geen nakomelingen waardoor zijn fortuin jarenlang werd betwist door verre erfgenamen.  Zijn dood betekende het einde van de Bette’s te Lede.

 

De geschiedenis 

Pas na het jaar 881 verlieten de Noormannen onze gewesten, en uit deze overwinning op hen haalden sommige vorsten hun voordeel. Om zich beter tegen een massale aanval te kunnen beschermen werden er her en der cirkelvormige versterkingen opgeworpen. Voor Lede zijn er voor het ogenblik vier bekend; nl. op de plaats van het kasteel van Waerseggers, het kasteel van Ronkenburg, op de Bambocht en het "kasteel van Mesen".

Een cirkelvormige versterking of "motte" bestond naast een houten woonhuis op de top van een berg ook nog uit een hoeve die onderaan de berg gelegen was. Later werd om veiligheidsreden (brandgevaar) en om de status hoog te houden ( de adel en de hogere burgerij ) het houten huis vervangen door een stenen woontoren of "donjon". Later werden aan de donjon verschillende gebouwen bijgezet, wat dan uiteindelijk resulteerde in een Kasteel.

 Zo herkent men op een kaart uit 1628 het Kasteel van Mesen en de donjon. De belangrijkste bewoners van dit kasteel waren de Bette's. Deze invloedrijke en rijke Gentse familie kwam in het bezit van Lede dankzij een huwelijk met de enige dochter van de plaatselijke heer de Gruutere. Via een goed geplande huwelijks politiek en een goed gevulde militaire carriere ( steeds in dienst van de Spaanse kroon ) klom deze familie op de adellijke ladder. Zij begonnen onderaan als jonkheer en eindigden als markies, dus één van de hoogste sporten. Een van de Bette's heeft het zelfs tot onderkoning van het eiland Mallorca gebracht. De Heerlijkheid van Lede, het kasteel, behoorde van dan toe aan de Heren van Lede. Aan Jan van Lede (1230) tot de laatste van dit geslacht (1420) waarna Jan de Gruytere als eigenaar het goed door huwelijk van zijn dochter Isabella met Jaak Bette overmaakt aan deze familie. Sindsdien noemen de familie Bette zich Heren van Lede. In 1607 werd de heerlijkheid door de Prins der Nederlanden, tot baronie verheven daar Jan Bette de titel van baron verwierf. In 1635, uit erkentelijkheid van de Koning van Spanje, promoveerde de baronie tot markizaat.

Het oude kasteel van de familie Bette was een rechthoekig gebouw met vier torens, gaanderijen en borstwering. Omgeven door water en lag in het midden van een uitgestrekt beluik omringd met hoogstammige bomen. Dit werd vernield door de Geuzen in de periode van de godsdiensttroebelen (1581). Op het einde van de eeuw liet Jan Bette het kasteel herbouwen. Na het overlijden van de laatste Bette kwam de heerlijkheid terug in bezit van een verre erfgenaam van de De Gruytere, nl Jean Charles baron van Joigny de pamele, die Heer van Lede bleef tot de afschaffing van de heerlijkheden door de wetten van de Franse republiek. In het jaar 1796 kwamen de adellijke privileges te vervallen en dit was het prille begin van de gemeente Lede.

Daarna komt het kasteel in het bezit van de familie Carmin-Staden, en na hun overlijden ondergaan het kasteel en de omliggende gronden diverse invloeden van industrialisering. Latere eigenaars gebruikten het kasteel o.a. als geneverstokerij, suikerfabriek, potasfabriek, klooster en kostschool. Na in 1897 het markizaat gekocht te hebben voor 97.000.- fr bouwden de Kanunnikessen van de H. Augustinus van Jupille de neogotische schoolvleugels en kapel in 1905. Tijden de eerste wereldoorlog loopt het kasteel teveel schade op en verkopen de zusters hun eigendom aan het Koninklijk Gesticht van Mesen. De zusters verhuizen met hun onderwijs naar Nederland.

Het Koninklijk Gesticht van Mesen werd opgericht door keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk bij een decreet van 17 aug. 1752 na de afschaffing van de vroegere abdij van Mesen. Het Koninklijk gesticht had als bedoeling kinderen van gesneuvelde of invalide officieren op te voeden. Maar tijden de eerste wereldoorlog had het koninklijk gesticht in Mesen een te grote schade geleden zodat de restauratie van hun gebouw een onbegonnen werk was. Zij waren bij het uitbreken van de gevechten, begin 1914, gevlucht naar Frankrijk ( Saint Germain en Laye ). Oorspronkelijk werden er uitsluiten kinderen van hogere militairen opgenomen, maar vanaf 1944 werden er ook burgerkinderen opgevangen. In 1952 werd het niet meer mogelijk om een erkend diploma af te leveren aan de kinderen die franstalig onderwijs genoten in het Vlaams landsgedeelte. Uiteindelijk evolueerde Het Koninklijk Gesticht van Mesen tot een gewone onderwijsvorm en bij Koninklijk besluit van 10 aug 1952 werd het onder voogdij geplaatst van de minister van onderwijs. Een hele tijd bleef deze situatie ongewijzigd tot er in 1970 een grondige herstructurering werd doorgevoerd.

Het bestaan van de kostschool voor dochters van gesneuvelde officieren, kon door het dalend aantal leerlingen en de taalwetten van 1963 als franstalig onderwijs in Vlaanderen niet langer genieten van subsidiering. Een jaar voordien - Bij Koninklijk Besluit van 16 sept 1969 - werd de gevraagde toelating om de onderwijsinrichting te ontbinden en de roerende en onroerende goederen te Lede te gelde te maken - verleend. Zo zou men alles opnieuw moeten beleggen, overeenkomstig de aard en de bestemming, en de opbrengst ervan, alsook de andere inkomsten, zouden uitsluitend worden aangewend te behoeve van de door de stichteres, keizerin Maria-Theresia, bedoelde begunstigden. Dit zou gebeuren door het instellen van een stelsel tot verlening van dotaties en steun voor de studies en het postuniversitair onderzoek, alsook voor de beroepskeuze en beroepsvestiging, voor de aanmoediging aan de families van de begunstigden en voor stoffelijke en zedelijke hulp. Het nieuwe reglement werd goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 14 juli 1970 en 20 juli 1972. Sindsdien staat Het Koninklijk Gesticht van Mesen onder de voogdij van de Minister van Landsverdediging. Het secretariaat van Het Koninklijk Gesticht van Mesen in de Kasteeldreef 49 werd behouden.

Totale verwaarlozing van de gebouwen en een klassering als parkzone laten in 1999 een prachtige ruine ontstaan op amper 30 km van Brussel, de Europese hoofdstad.

  
Het Markizaat : Dit eens zo sierlijk gebouw en tevens de oorsprong van het kasteel (gebouwd door de familie Bette) is nu enkel nog een hoop puin dat bijna volledig ontoegankelijk is

 Deze gegevens heb ik van onderstaande websites

http://www.xs4all.nl/~hjh/family/markiesdebette.htm
http://www.ping.be/~sintlod3/gewestplan_2001_2002/lander/lander1.htm
http://forgottenplaces.fttcorp.com/mesen_intro_ned.php